Zwijgen als weg van emancipatie

ZWIJGEN ALS WEG VAN EMANCIPATIE

In de monastieke traditie speelt de kunst van het zwijgen een grote rol. Hieronder wat gedachten over dit onuitputtelijke thema. Om een lang verhaal kort te maken: een zwijgzame levenshouding zet een innerlijke verhuizing in gang: van een begrensd ‘ik’ besef naar een bevrijde staat van zijn en handelen. Voorwaarde is wel dat het zwijgen ook echt is: zwijgen. Leeg, leger, leegst. Gaan er verlangens of belangen meespelen dan is het met het zwijgen snel gedaan – ook al is men nog zo stil…

1. Het belang van zwijgen

Ons zwijgen gaat over ons spreken
Oefenen in zwijgen bevraagt bovenal ons spreken. Een wijs woord zegt: ‘Ik ben een gat in een fluit waar de adem van Christus doorheen beweegt. Luister naar de muziek.’ Als ons wordt aanbevolen vaak en veel te zwijgen wordt ons eigenlijk gevraagd: is het wel Christus-muziek die je voortbrengt, niet ‘gemaakt’, maar uit de Vader geboren en daarom springlevend en leven gevend?

Ons spreken als valsspreken
Stilstaand bij de toestand van de wereld, kunnen we niet anders dan zeggen: ‘nee, dat is het niet; ons spreken is vals’. Of anders wil ik het met alle liefde persoonlijker maken: ‘mijn spreken is vals. Bij de gratie Gods zal er af en toe wellicht een zuiver nootje tussen zitten, maar vooral draagt het bij aan de groei en bloei van een rijk dat in de verste verte niet lijkt op wat we ons mogen denken bij het Koninkrijk Gods. En dat terwijl ik me toch geroepen mag weten juist daaraan mee te bouwen’.

Als de vaders de deugd van het zwijgen bezingen is dit omdat we kennelijk valssprekers zijn, of, laat ik dit nuanceren, de meeste woorden niet zuiver intoneren en articuleren, te lang aanhouden of te kort terwijl we ook de klemtoon verkeerd leggen. Denk aan het verschil tussen een viool virtuoos en een goedwillende amateur. Zelfs al spelen ze dezelfde noten, oh wat een wereld van verschil. En zo is ook ons menszijn nog maar een heel amateuristische bedoening vergeleken bij dat van de eerste professionele mens: Jezus de Christus.

‘Heer ik ben niet waardig’ als basishouding
Ons zwijgen kan daarom geen betere wortel vinden dan in deze vaststelling: ons spreken lijkt he-le-maal nergens op, ook dat over God en gebod niet. En van de vroege ochtend tot de late avond zou ons dan ook geen beter woord op de lippen kunnen liggen dan dit: ‘Heer ik ben niet waardig’. Nu besef ik heel goed dat wat voor mij een belijdenis is vol verstrekkende implicaties, op anderen de uitwerking kan hebben van een rode lap op een stier. ‘Wat is dat een vijandig mensbeeld’ heb ik weleens gehoord. Begrijpelijk, want hoe vaak is een gebrekkig verstaan van deze confessie geen instrument van onderdrukking geweest? Maar ook: dat een mes wordt gebruikt om te vermoorden, betekent toch niet dat we geen messen meer ter hand zouden mogen nemen?

Daarom, ja en steeds weer: ‘Heer ik ben niet waardig’, waarmee we niet bedoelen we Gods kindschap niet waard zijn, maar dat we ons gedragen op een manier die zijn kinderen niet past; als ‘beneden onze stand’. En dat een monastieke dagorde het leven steeds weer stillegt, moet vooral ook met dit heilbrengende inzicht te maken hebben. Want hoe verleidelijk is het niet om in onszelf toch ‘best ook aardige kanten’ te ontwaren, woorden of daden waar we ons misschien zelfs op laten voorstaan. Het voorrecht van de monnik: steeds weer mag hij zich deze desastreuze gedachte laten ‘ontvallen’ zoals hij zijn werk laat vallen als het gebedsmoment daar is. ‘Nee, niet jouw waarde, maar Gods waarde’ is de boodschap. Keer op keer op keer op keer: terug naar af. Naar ‘’beginners mind’. ‘Niet jouw spreken, maar Gods spreken. ’

Om ook hier misverstanden te voorkomen: Gods spreken is niet strijdig met wat of wie we zijn, maar wil juist niets anders dan dat we dat belichamen. Als geloven beoogt ons nader tot God te brengen, is daarbij inbegrepen onze toenadering tot het beeld dat God van ons had toen hij ons schiep: om zo ‘onszelf’ te worden als we ons in onze stoutste dromen niet kunnen denken…

2. Als woorden ons zwijgen te na komen  

De leegte ingevuld: Gods spreken gecodificeerd en ‘kaltgestellt’
Maar wat nu zo interessant is: evengoed kennen de meeste ‘terug naar af’, ‘wordt leeg en stil’ methodes en momenten vaak veel spreken, niet zelden ook met bijbehorende gebaren, gebruiken en gebouwen. Om met Maria aan de voeten van de Heer te kunnen zitten moeten we soms net zo hevig aan de bak als die drukke Martha, zoveel ‘moet’ en ‘hoort’ er. Dikwijls bekruipt me de gedachte dat het de mens via een omweg zo toch weer lukt om aan de leegte te ontkomen. Wat bedoeld is als ‘ootmoedig smeken’, een oefenen om beschikbaar te worden, ontvankelijk, een praktiseren van een besef van complete hulpeloosheid, kan zo evengoed een vorm van zelfbevestiging zijn. Niet uit kwade wil, verre van en het ligt er ook allerminst dik bovenop. Maar schuilt de duivel niet juist in het detail? Niet dat hij vuur spuwt of zwavel blaast maakt hem zo gevaarlijk, maar dat hij het echte zo bijna perfect kan imiteren. Een kniebuiging kan zo evengoed een vorm van zelfverheerlijking zijn. En zelfs als we in alle ernst menen te verlangen naar God, gehoorzamen we misschien in werkelijkheid wel de roep van ons ego, op zoek naar houvast. Want hoe veilig zijn niet het vertrouwde woord en het beproefde ritueel, zeker in een wereld die van onzekerheden aan elkaar lijkt te hangen?

Maar hoe dan wel?
Hoe dan hier mee om te gaan? Hoe bevorderen we dat een ‘terug naar af’ levenshouding’ geen vlucht is, maar steeds weer een bewust afdalen is naar die innerlijke nulplek waar we iedere zekerheid hebben losgelaten en durven zijn als een roerloos luisteren zonder te weten waarom, waartoe of naar wie, of zelfs wie dat is, de luisterende?

Hoe kan ons zwijgen ook echt zwijgen zijn in plaats van de verstilde manifestatie van een oordeel, veroordeling, mening of wens?

3. Een alternatieve zwijgpraktijk

Voorstel voor een manier zwijgen: Woordwolken maken 
Ik heb daartoe een oefenwijze ontwikkeld die zijn uitgangspunt vindt in het gezegde van Paulus: ‘niet ik, maar God in mij’. Want daaruit mogen we opmaken dat er kennelijk twee krachten in ons werkzaam zijn. ‘Het enige’ wat dan nodig zou zijn is deze van elkaar te kunnen onderscheiden. Hoe eenvoudig kunnen de dingen zijn! Nu kun je natuurlijk redeneren dat ons dat onderscheidend vermogen is gegeven dankzij ons kennen van God in en door Jezus de Christus. En dat is ook zo. Maar tegelijk lijkt me dat te kort door de bocht. Want welke kracht in ons is het dan die de Christus kent? Hoe weten we of het de  ‘niet ik’ kracht is of de ‘God in mij’ kracht? Hoe weten we of ons kennen inderdaad kennen is en niet: projecteren?

Graag laat ik de lezer in dit verband kennismaken met een methode die in ieder geval voor mij werkt als een trein: woordwolken maken.

Aanwezig worden voor, is… aanwezig worden voor.
Zo werkt het: de ‘Niet-ik maar God-in-mij’ gedachte koppelend aan de ‘Heer ik ben niet waardig’ notie, gaat de Woordwolk oefening ervan uit dat mijn interpretatie van alles wat in mij op welke manier ook maar lawaai of beweging maakt, gerekend moet worden tot het ‘Heer ik ben niet waardig’ domein. Dus ook mijn verlangen naar God of kennen van God of weten van God of kennen van God door Jezus Christus zijn zoon. Ik ga ervan uit: ik snap het niet, ik begrijp er niets van. Ik beschouw al mijn denken en al mijn gevoelsinterpretaties als doof en blind, waard slechts dat wat de gek ervoor geeft. Ik hecht, anders gezegd, aan niets van wat ik vind of wil of verlang of hoop, enigerlei waarde. Maakt niet uit of het rijp is of groen, edel of schandalig. Niets aan mijn denken en vinden acht ik als het ware niet ‘biechtwaardig’. En zo ga ik dan ook voortdurend innerlijk ‘te biecht’. Wat zich in mijn hoofd afspeelt schrijf ik steeds weer zonder enige discriminatie op in wat ik noem ‘woordwolken’, waarna ik me daar vervolgens in volkomen passiviteit door laat ‘doorweken’ of ‘doorregenen’. Ik vind er niet iets van en ik vind er niet niets van, zo passief houd ik me voor de inhoud van mijn woordwolken. Ik houd geen afstand, maar zoek ook geen toenadering. Het maximale en tegelijk minimale wat ik doe: ik ben ervoor aanwezig. Ik laat de impact van die leeg regenende woordwolken me tot in mijn tenen doortrekken. Voor alles wat in mij spreekt, emoties, gevoelens en fysieke sensaties inbegrepen, houd ik me volkomen zwijgend beschikbaar, zonder dat dit zwijgende in mij zich tot enig spreken of niet spreken in staat acht. Mijn zwijgend beschikbaar zijn doet en wil dus niets dan dit: zwijgend, leeg, roerloos aanwezig te zijn voor… de inhoud van mijn woordwolken.

Het is wat lastig om te beschrijven wat hiervan ‘het resultaat’ is. Ik doe een poging. Wat er lijkt te gebeuren is dat er zich meer ontwikkelt van datgene wat ik doe: mijn beschikbaar worden voor – in eerste instantie mijn eigen ‘bestaande’ gedachten – wordt een beschikbaar worden voor …‘zonder meer’. Ik vergelijk het wel met een verhuizing. Ik woon of verblijf door dit oefenen steeds minder in mijn gedachten en steeds meer in mijn bewustzijn daarvan. Het is alsof mijn beschikbaarheid voor wat ik maar even noem de ‘stem van mijn hoofd, me in een en dezelfde moeite door beschikbaar maakt voor de ‘stem van mijn hart’. Steeds minder beleef ik mezelf daardoor als slechts een verlengstuk, of zelfs gevangene, van mijn gedachten. Ik hoef mezelf niet langer ‘te dragen’ of te verdragen, niet te loven of niet af te keuren als gevolg van de vreemde gewaarwording dat wat zich voor mijn ‘zelf’ uitgeeft, mijn ‘ik’, in de grond der dingen helemaal niet lijkt te bestaan. Langzaam maakt zich een ervaring van mij meester dat ik niet ben wie of wat ik denk te zijn, maar dat mijn zijn, mijn ‘ik’, daar los van staat en veeleer een staat is, een conditie, dan een entiteit. Voor zover ik zoiets als een identiteit ‘heb’ lijkt deze te bestaan uit een beschikbaar kunnen zijn voor de voeding die in het moment wordt aangereikt. Eerder beleef ik mezelf als een relationeel gebeuren dat met niets of niemand van ooit en nooit niet in relatie staat, dan als een begrensd ‘wezen’ dat ervoor kiest met het ene wel en het andere geen relatie te onderhouden op grond van afkeuring van het een of waardering voor het ander.

Tegelijk: elk woord dat ik hierover op papier zet is er een teveel. Ook wat ik hier schreef mag onmiddellijk weer in een woordwolk worden ondergebracht die vervolgens mag leegregenen, want precies hierom wordt ons het zwijgen zo aanbevolen omdat het onze woorden zijn – die dan ook weer daden worden – die eraan in de weg staan dat we het Woord boven alle Woorden steeds een beetje beter leren belichamen. Waarmee we daar uitkomen waar dit verhaal ook begon: in de grond gaan de vaderspreuken over zwijgen niet over de vraag of we er goed aan doen wel of niet onze mond te openen, maar over de vraag wat, beter nog: wie, ons spreken en in het verlengde daarvan ons handelen, uitdrukt.

Belichamen we een door de tijd ingehaald en verdord woord over God of Zijn actuele zicht en leven gevende woord? In dat verband tot slot het volgende.

4. Wat zwijgen kan voortbrengen

Zicht op de eigen plek
De bedoeling van ons zwijgen is niet dat we niets meer zouden denken, zeggen of doen, maar steeds beter dát leren uitdrukken wat ‘aan de orde’ is in Gods orde. De psalmist zegt: ‘ik loof u in oprechtheid des harten, nu ik uw rechtsorde verstaan ga’. Hoe minder we geloven in de woorden die komen uit de mond van onze eigen wil, ons ego, des te beter openen zich de oren – en ogen – van ons hart, raken we op het spoor van wat ons te doen staat. Zwijgen is in die zin een instrument dat ertoe dient onze plaats in het geheel der dingen te leren kennen en te durven gaan innemen. Het wil ons helpen om – als al eerder gezegd – te ‘verhuizen’: van het wonen in onze eigen wil, naar ons wonen in Gods wil voor ons, wat hetzelfde is als Gods liefde voor ons, wat hetzelfde is als Gods liefde voor, betrokkenheid bij, doordringing van, aanwezigheid in, de hele schepping.

Geen Martha-stap te zetten zonder eerst als Maria te zitten
We kennen het verhaal van Martha en Maria en ook de bochten waarin de geleerden zich wringen om dit niet zo te lezen dat we allemaal stilzittende Maria’s zouden worden, want wat zou er dan van de zo noodzakelijke dienstbaarheid aan – bijvoorbeeld – de armen worden? Ik lees dit verhaal echter zo dat met het ‘goede’ of zelfs ‘beste’ deel dat Maria koos, niet een permanent stilzittende nietsdoenerij wordt bedoeld, maar dat Jezus benadrukt dat onze daden altijd moeten wortelen in de stille ontvankelijkheid van ons hart; het goede deel is dan: het eerste deel, het uitgangspunt, het fundament van ons denken, spreken en doen; ons bewustzijn, elke ademhaling weer, dat niets zin heeft tenzij het wortelt in de inspiratie van Gods geest en wel omdat het alleen dan geschiedt uit en met en tot liefde, en niet omdat het zo hoort of omdat de mensen er schande van zouden spreken als we het achterwege zouden laten. Ik moet denken aan het loflied van Paulus op de liefde. Al staan we nog zo vaak te koken in nog zoveel gaarkeukens voor nog zoveel armen, ons baat het niet, tenzij we het uit liefde doen. In het zwijgen, in het zitten aan de voeten van de Heer wordt ons duidelijk wat we, hoe, voor wie, te betekenen hebben. En zou ons, handelend uit en tot liefde het soort klagen of ‘gramschap’ over de lippen komen zoals wat dat van Martha horen? Handelend in en uit liefde kunnen we niet anders dan dat, we zijn daar zo vol van dat ons de ruimte voor onvrede eenvoudig ontbreekt. We ‘komen niet eens op het idee’ dat het ons aan hulp te kort zou komen.

Zwijgen als weg van emancipatie
Het lijkt me dan ook niet onmogelijk dat de Heer met Martha niet zozeer de biologische zuster van Maria beschrijft als wel ons aller innerlijke zuster: die zo innig beminde stem in ons die ons er om de schijnbaar meest nobele redenen steeds weer van weerhoudt ons te bezinnen voordat we met het een of ander werkje beginnen. Martha begint in die interpretatie te lijken op de slang waarnaar Eva haar oren liet hangen. Nogmaals: de Heer zegt niet ‘nee, je hoeft niet gastvrij te zijn’ en al helemaal niet dat een zogenaamd religieus leven te verkiezen zou zijn boven een zogenaamd wereldlijk leven. Waar het om draait is: waarop gaat ons besef van dat leven terug? Waarin wortelt onze bestaansbeleving? In ons denken daarover of in het enkele en zuivere ‘gegeven’ ervan? En ik meen dat Jezus hierover zoveel zegt als: tenzij iedere ademhaling, iedere stap, iedere gedachte, ieder woord en iedere daad door Gods liefde bevrucht is, is er van leven überhaupt geen sprake. Te leren ‘zwijgen’ is dan een voorwaarde om te leren om van moment tot moment als kind van God herboren te worden en om vervolgens ‘kindwaardig’ te leren spreken en doen. En daarom noem ik de weg van het zwijgen ook wel een emancipatoire weg, omdat zulk spreken en doen zich vaak per definitie niet zal herkennen in de voorschriften van de gevestigde autoriteiten. Ja, zwijgen en stilte kunnen er vredig en ‘zoet’ uitzien, maar evengoed als het verjagen van handelaren uit de tempel.

5. Uit de traditie

  • Ook zei hij: elke moeilijkheid waarin u geraakt, wordt overwonnen door te zwijgen. (Poimen 37; 611)

Enkele andere spreuken in dit verband:

  • Verder heeft Poimen gezegd: Er is een mens die ogenschijnlijk zwijgt en wiens hart anderen veroordeelt; zo iemand spreekt altijd. En er is een andere die, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat sprekend ook zwijgen in acht neemt, dat wil zeggen die niets zegt als het geen nut heeft.’ (Poimen 27; 601, vertaling GM/HH/TK)
  • Een broeder vroeg abt Poimên: “Wat is beter, te spreken of te zwijgen ?” De grijsaard antwoordde hem: “Wie spreekt om God, doet wel, en wie zwijgt om God, eveneens”
  • BRIEF 554
    Dezelfde broeder vroeg aan de andere oude man: “mijn gedachte zegt me dat ik, wil ik gered worden, deze monastieke gemeenschap moet verlaten en de stilte moet beoefenen, zoals de vaders dat hebben gezegd. Want het werk in de timmerwerkplaats is voor mij niet voordelig, want het brengt me veel herrie en kwelling.” Antwoord door Johannes: Broeder, het is je al gezegd, dat het voor jou niet voordelig is om de monastieke gemeenschap te verlaten. En nu zeg ik je dat het je val zal zijn als je vertrekt. Je weet daarom wat je te doen staat. Als je werkelijk gered wil worden, verwerf dan de nederigheid, gehoorzaamheid en onderwerping, dat wil zeggen, snijd je eigen wil af en je zult leven zowel in de hemel alsook op aarde. Wat de stilte betreft waarover de vaders spreken, jij weet niet eens wat dit is. Want deze stilte is geen zaak van het zwijgen met de mond, want iemand kan duizenden nuttige woorden spreken en dit kan beschouwd worden als stilte, terwijl een ander maar een ijdel woord spreekt, en het wordt aangemerkt als het met voeten treden van de onderwijzing van de Redder. Want er is gezegd: “op de dag van het oordeel moet je rekenschap geven van elk ijdel woord uit je mond. Omdat je ook zegt dat je geen baat hebt van het werk in de timmerwerkplaats, geloof me, broeder, jij weet niet of het wel of niet van voordeel is voor jou. Dit zijn strikken van de duivel, die jouw gedachte tonen wat ze ook maar willen, met de bedoeling dat je je eigen wil doet en ongehoorzaam bent aan die van je vaders. Want ieder die de waarheid wil kennen, vraagt de vaders of men er voordeel bij vindt of schade aan leidt. En die persoon gelooft wat ze ook zeggen, en brengt dat in praktijk wat van voordeel is. velen hebben een prijs betaald om te worden gehoond en geduld te leren. Jij evenwel leert het geduld zonder kosten, omdat de Heer zegt: “ Door je geduld zul je je ziel winnen.” We zouden de persoon dankbaar moeten zijn die ons kwelt. Want door zo iemand verwerven we geduld. Je doet er goed aan te blijven. Moge de duivel je niet bekoren. De Heer moge je bijstaan. Amen
  •  Een van de oudvaders bracht abt Achillas een bezoek en hij zag, dat hij bloed uit zijn mond spuwde. Hij vroeg hem derhalve: “Wat scheelt eraan, Vader ?” En de grijsaard antwoordde: “Dat is het woord van een broeder, die me verdriet heeft aangedaan. Het heeft me veel strijd gekost om het hem niet bekend te maken. Daarom smeekte ik God om het van me weg te nemen. Toen werd het woord als bloed in mijn mond. Ik spuwde het uit, kreeg weer rust en vergat het verdriet”. (4)
  •  Men vertelde van abt Agathoon, dat hij drie jaar lang een steen in zijn mond heeft gehouden, totdat hij zich het zwijgen had eigen gemaakt. (15)

(Spreuken met dank aan br Thijs Ketelaars osb)

Gerelateerd > ,

Liber, oefening 3

Dit is de verlengde versie van Oefening 2. De oefening beslaat iets meer dan een uur, waardoor je een extra woordwolk kunt maken en meer tijd en ruimte hebt om je te verhouden met …

Lees verder »